Het zwarte gevaar

horse-1161689_1920 (1)

‘Wa-hat zeg je?’ De meeste bekenden verslikken zich subiet in hun koffie als ik vertel dat ik een paardencoachingsessie heb gevolgd. Eentje maar, hoor, zeg ik snel. Nu valt die reactie te verwachten, omdat ik niet meteen van de zweverige soort ben.

Na een periode waarin mijn leven langdurig aan het sidderen was geslagen, besluit ik dingen te proberen die ik anders niet snel zou doen. Dit keer dus iets met paarden.

Ik sta in een weiland met deelnemers en paarden mezelf te dwingen in het hier en nu te leven. Wat ongeveer hetzelfde effect heeft als het niet willen denken aan de roze olifant. De opdracht die we meekrijgen: kies dat paard uit waar je ‘iets’ mee hebt. Meteen zie ik al één geval bij wie dit níet gaat lukken: een zwarte hengst. Te knap en te gespierd. Vast ook heel gemeen en grillig. Merkwaardig dat ik hem vermenselijk, maar hij doet me denken aan de popi-jongen in zo’n Amerikaanse film. Ik loop naar het meer gedweeë type dat vriendelijk op mij afkomt. Een gezelligerd bij wie je weinig fout kunt doen, zo schat ik in.

Tijdens de praatsessie leggen we uit waarom we bij welk paard gingen staan. Ik leg de trainers uit waarom ik naar dat bruine en vooral ook waarom ik beslist niet naar dat zwarte paard ging. Redenen genoeg: omdat-ie zijn eigen gang ging, bij de andere cursisten wegliep en gewoon te onafhankelijk en te sterk overkomt. Bovendien ben ik bang dat-ie gaat bijten of schoppen zodra ik me in zijn buurt waag. Ik vergeet volledig dat ik niet erg aardig over hún paard – en dus hun baby – praat.

De trainer heeft er verder geen oordeel over, zoals paarden dat ook niet hebben. Hij zegt rustig dat ik maar eens naar dat paard moet kijken. Plichtmatig draai ik me om naar meneer de hengst. Goed, het is wel een mooi paard en… jawel, hij komt nu uit eigen beweging naar me toe. Voordat ik het door heb, staat het zwarte dier naast mij en heeft-ie vooralsnog geen hap genomen. Ik waag het zelfs om z’n vacht aan te raken. Uiteindelijk houden juist dít paard en ik het samen een tijdje uit.

Natuurlijk had iemand anders mij ook heus kunnen vertellen dat ik snel tegen dingen opzie, bergen creëer, mezelf automatischer lager inschat dan de ander, maar praten over je angsten is iets heel anders dan ter plekke de gevaren trotseren.

Nu ik op zoek ben naar iets vastigs: een baan, een project of een wekelijks terugkerend iets, denk ik terug aan dat moment in die prettige sessie waarbij dat zwarte gevaarte vanuit de verte zo eng was, en van dichtbij vrij toegankelijk bleek. De stemmetjes die mij vertellen dat ik toch niets kan vinden, dat ik te lang zelfstandig ben geweest, nooit meer kan functioneren op een zweterig kantoor en tussen ‘de mensen’ en eigenlijk niets anders kan dan schrijven. En ook dát is maar de vraag, want wat heb ik al die jaren in vredesnaam aangeleverd en hoe onhandig ben ik soms niet geweest? maan ik tot stilte. En ik besluit om gewoon maar te gaan zoeken en uit te proberen. Meteen voel ik weer iets van die high die ik kreeg toen ik mijn vaste baan vaarwel zei en de onzekerheid ging omarmen – toen lukte dat mij blijkbaar wel – en dit heel veel leuke opdrachten teruggaf.

Wie weet lopen dit nieuwe duistere gevaar en ik op elkaar af en blijken we het samen prima te kunnen vinden.

Advertenties

Veerkracht

leven

We hoorden een paar donderende klappen en hartverscheurend gehuil. Ergste nachtmerrie ever: dochter was door het zoldertrapgat heen van de steile trap gevallen, in het donker. Ze dacht dat het luik dicht zat en was in het gat gestapt. Ik dacht dat ik niet goed werd toen ze snikkend tegen me aan lag. Mijn primaire reactie was: zeggen dat ze de volgende keer – alsjeblieft – het licht aan moet doen voordat ze naar beneden loopt.  Maar terwijl ik dit zei, kreeg ik meteen spijt. De angst om iets kostbaars te verliezen vind ik het allerzwaarste sinds ik moeder ben. En tegelijkertijd heeft mijn dochter hier geen boodschap aan. Ze had niets aan mijn angst en mijn woorden. Ze was zich rot geschrokken en had iemand nodig die haar alleen maar vasthield. Dat deed ik dan ook. In mijn armen kwam haar bevende lijfje langzaam tot bedaren.

‘Mam, ik vind het zo erg. Ik moet er elke keer aan denken.’ Ze was nu tussen mij en de bank gekropen en we keken een filmpje. Ik vertelde haar dat dat heel normaal is dat je er veel aan denkt, dat je langzaam steeds weer meer plek in je hoofd krijgt om aan andere dingen te denken, en dat de schrik na een tijdje uit je lijf en hoofd is. Het werd die avond laat en eigenlijk nog best gezellig, zo met z’n drieeën op de bank.
De volgende dag strompelde ze de trap af. Blauw scheenbeen. Beurse oksel. Zou ze echt niks gekneusd hebben? dacht ik nog. Na een rustige ochtend wilde ze naar buiten.
‘Ga je doen, dan?’
‘Skeeleren’

De veerkracht van kinderen. Die willen zo snel mogelijk weer doen wat ze het liefste doen: spelen, leven. En als ze zijn gevallen, zorgen wij dat we er voor hen zijn.

 

Pracht-dingen

together-2408616_1920

In de aula van de middelbare school bungelden ze om me heen. In verhouding met mijn lijf leken ze zo lang. Zo ongemakkelijk ook. Wat moet je met je armen als iedereen naar je kijkt?

‘Je zusje heeft een knuffel nodig,’ zei iemand tegen me die haar verdriet zag. Ik had het ook gezien, maar daar nog geen omhelzing aan gekoppeld. Ik liep op haar af en drukte ze om haar heen, maar mijn armen snapten niet wat ze precies moesten doen. Beetje stram, beetje stijf. Onbehaaglijk voelden ook die knuffels die ik weleens kreeg. Toen die kennis van de kerk mij spontaan tegen haar lichaam aandrukte. Het was in de tijd dat we over alles praatten, behalve over de dingen waar we ons voor schaamden en we schaamden ons een hoop.
Pas geleden ontving ik ze weer. Ik blogde wekelijks over een tijd waarin ik het liefst mijn hoofd onder een kussen wilde steken. Tijdens het schrijven gooide ik de zware dekens van me af en vertelde ik wat er die schimmige tijd in mij had geleefd en hup, daar kwamen tientallen knuffels in liefdevolle emoji’s en in lijflijke omhelzingen op me af. Ik kreeg er een kleur van.

Een vriendin nam definitief afscheid van iemand die ze innig liefhad. En daar waren ze weer. Op facebook en in het echt. Warme, tanige, korte, lange, zachte of juist stevige armen. Zo om haar heen. Waterige ogen die elkaar begroetten. De warmte van een ander persoon tegen haar verdrietige lichaam. Een kus op haar natte wang.
Ik zag twee mensen. Ze liepen hand in hand, maar raakten elkaar niet aan. Allebei hadden ze een band om hun pols en daartussen zat een lijn. Toen ik beter keek, las ik op het t-shirt van de heren de woorden ‘Running Blind’. Blindelings volgde de ene man de ander die hem langs wegen leidde, langs slootjes liep, een drukke weg overstak. Zijn hand aan die van een ander. Het beeld ontroerde me.
Laatst waren ze om mij heen. Warme en oprechte armen van iemand die zei dat ze veel voor ons gezin bad. De tranen sprongen in mijn ogen.
Gisteren gebruikte ik die van mij voor een ander. Ging bijna vanzelf.

Die armen die aan ons lijf hangen. Ik moest er even aan wennen, maar wat een prachtdingen zijn dat toch.

Deze column verscheen in Jente.

Poedel-naakt op Stressed Out

naakt
Het begon allemaal met één blog waarbij ik mijn ‘stress-coming out’ had. Maandenlang had ik mezelf onzichtbaar gemaakt en liet ik me door berichten op social media lamleggen. Iedereen leek zo’n leuk en succesvol leven te hebben, terwijl wij thuis worstelden met de burn-out van mijn man en ons sociale leven zagen opdrogen. In september 2016 besloot ik mijn gedachten op te schrijven. Ik had een overwinning te melden: we waren sinds tijden weer als compleet gezin (dus inclusief man) weg geweest. Deze blog deelde ik op mijn Facebookpagina.

Meteen werd ik overladen door lieve reacties en de blog leidde tot een verzoek van mijn oud-collega Maaike Helmer, founder van STRESSED OUT. Of ik over deze rottijd wilde bloggen. Even twijfelde ik, want als mens en zeker ook als zzp’er wil je vooral overwinningen delen (zodat je aantrekkelijk bent en blijft voor opdrachtgevers) en door deze blogs zou ik poedelnaakt rondlopen. Omdat door het gebrek aan werk mijn creativiteit een dieptepunt had bereikt, zei ik toch ja. Ik móest weer schrijven van mezelf, schrijven doet schrijven en dus deed ik het. Doodeng. Het resulteerde in deze serie.

Wat me motiveerde waren de lieve reacties die ik van lezers kreeg en ik raakte met mensen in gesprek. Gewoon op straat of in de supermarkt. Sommige vertrouwden me bij school toe dat ze zelf ziek thuis zaten. Ook kreeg ik persoonlijke berichtjes van andere vrouwen van wie de man kampte met een burn-out. Soms al jarenlang. We herkenden elkaars worstelingen. Het gevoel dat je de enige bent, kan verstikkend werken; weet je dat meer mensen worstelen met dezelfde problemen, dan is dat troostend en uiteindelijk versterkend. Daarom ga ik nog een tijdje door met bloggen. Deze weken wordt de serie herhaald, vanaf september komen er nieuwe blogs. We krabbelen een beetje op, duikelen terug en beginnen dan vanaf nul – wat uiteindelijk erg goed blijkt.

PS: Ondertussen is er weer veel veranderd, we zijn anders gaan denken, werken en leven. Daarover later meer! Fijne vakantie alvast! Ik kan niet wachten 🙂

Kost niks

hummingbird-2139278_1920

Ik kon altijd vrij moeiteloos mijn werk doen. Me ertoe zetten om zoveel mogelijk deadlines te halen. ’s Avonds, soms ’s nachts. Facturen schrijven en innen maar, die handel. Heerlijk. Nu is alles anders. De helft van de tijd ben ik bezig te bedenken wat ik nou eigenlijk moet en wil. Het lijkt alsof de vaart uit mijn leven is getrokken. Alsof ik een ellenlange karavaan meezeul en niet vooruit lijk te komen. En ik laat me helaas nog al te vaak beheersen door gedachten over toekomstige rekeningen en geldzaken, een gewoonte waar ik vroeger altijd zo’n schurfthekel aan had.

Geld is heerlijk als je precies genoeg hebt, en je je geen zorgen hoeft te maken over later. Over morgen. Of vandaag, omdat je nog boodschappen moet doen. Geld wordt een vloek als het je gaat beheersen. Of je nu veel of weinig hebt. Je kunt geld hebben, maar mis je de rijkdom die verscholen zit in dingen die niks kosten, dan ben je alsnog heel arm. Kon ik het werk maar loslaten en mijn blik richten op de schoonheid die zich overal om mij heen openbaart. Schoonheid zo fragiel dat je haar beter niet kunt vastpakken. Een zon die schittert in de golven. Een mooi bos om in te verdwalen. Vogels die je wakker fluiten. Of een gezellig wijntje rondom een vuurkorf.

En juist nu al die dingen zich op een dag als vandaag gratis aanbieden, laat ik mijn blik vertroebelen door opeenpakkende zorgen. Voel ik dat ik wankel, terwijl dat waarschijnlijk precies de plek is waar ik Gods uitgestoken hand ontmoet. Het verleden bewijst dat juist die momenten voor mij meestal het prachtigst en het meest waardevol zijn geweest. ‘Je bent gemaakt om in relatie met God – en met anderen – te staan. Met je Schepper. Degene die je nieuw leven inblaast.’ Ik heb dat honderd jaar terug ofzo vaak tegen jongeren gezegd.
Als ik me ergens door wil laten leiden, is het door die verrassing. Die ontmoeting. Dat gesprek bijvoorbeeld dat ik net had met een vrouw die me kon vertellen over de rijkdom die zij in haar leven ervaart als ze met andere mensen is. Een vrouw die haar huis en hart openstelt voor jongeren die geen andere kant op kunnen. Mensen die ze onderweg ontmoet. Ze zitten rond een kampvuur en trekken even met elkaar op. Dit is hoe rijk het leven voor haar is. “Maar”, zei ze in het gesprek, “Waar ik niet zonder kan, is dat ik de dag begin met God. Even lezen, een lied, een gebed. Zonder dat zouden mijn dagen er heel anders uitzien.”

Ik las vanmorgen in de bijbel over Abram en Lot. Nadat hun herders met elkaar in conflict raken, moeten ze uit elkaar. Abram laat Lot het stuk land kiezen waar hij wil wonen. En zoals voor velen bekend pikt Lot het mooiste land in. Best lullig vond ik dat altijd voor Abram die het met minder moest doen. En toen viel me het volgende stukje op. Na het afscheid van Lot zegt God tegen Abram: “Sla toch je ogen op en kijk vanaf de plaats waar je bent naar het noorden, zuiden, oosten en westen. Het hele land dat je ziet zal ik jou en je nageslacht voor altijd geven.” Misschien heb ik niet wat ik zou willen hebben, of wat ik vroeger had, maar er ligt nog een hele aarde om te beploegen, te belopen en te bewonen. Meer dan je je kunt voorstellen. En dat is niet altijd uit te drukken in geld.

Het voordeel van minder werk (dan ik wellicht zou willen hebben, ik begin daar nu ineens aan te twijfelen) is de tijd die je overhoudt. Tijd om de kinderen van school te halen. Tijd om de bijbel te lezen, te overdenken, de gitaar te pakken. Tijd om een gesprek met iemand te hebben. Waar ik vroeger als een kip zonder kop deadlines haalde, heb ik nu tijd om artikelen te schrijven waar ik goed en veelvuldig over heb nagedacht. Tijd is het nieuwe goud, zei Jan Wolsheimer eens in een interview.

Mijn man heeft nu ook iets meer tijd. Meubels waar wij geen geld aan willen uitgeven, blijkt hij zelf te kunnen maken. De blik die hij in z’n ogen heeft zodra het af is en geschuurd, is schitterend en onbetaalbaar.

De avondvierdaagse

dirty-932859_1280

Vier avonden lopen in een mensenmassa bestaande uit veel wezentjes met rugtassen om en een snoepje in de hand. Als kind leefde ik compleet op bij de Avondvierdaagse. Mijn klas en ik woonden vlakbij de start; we liepen er zelf naartoe en ook weer naar huis. Op de laatste avond stonden er aan weerskanten van de weg bekenden met snoepzakken, rozen en chipskettingen. Zussen van vriendinnen, moeders, vaders, broers, zussen, tantes, ooms. Die glimlach was niet van mijn gezicht weg te poetsen. Vorig jaar liep ik ‘m weer. Voor het eerst na jaren. Ik moest mezelf er een beetje naartoe slepen. Beetje een shitjaar was het.

Voor één ding was ik doodsbang: dat mijn geest uit de fles kwam. Dat dit zich zou uiten in unstoppable geklets. Dat gebeurde helaas precies zo. Ik klampte me vast aan iedereen die ik tegenkwam. Ratelde zo veel en zo openhartig dat ik eenmaal weer thuis een halve paniekaanval moest onderdrukken: wat had ik allemaal tegen wie gezegd? Wat zouden ze denken? De tweede avond liep mijn man. Als een zombie zei hij naderhand. De derde avond liep ik weer. Van tevoren bedacht ik dat ik het alleen maar over hypotheken en huizen ging hebben. Dat lukte. De vierde avond was de finale. Mijn dochter hartstikke trots en ik ook. Op haar. En op mijn man die samen met onze zoon op het plein kwam om ons te feliciteren. 

Vorige week liep ik de Avondvierdaagse weer. Deze leverde mooie gesprekken op – onderbroken door gelach en gegil -en dat gaf weer heerlijk wat lucht. Ik sprak oude bekenden en mensen die ik nog helemaal niet kende. Een vrouw die op al meer had meegemaakt dan ik in mijn hele leven zal doen. Of ze zich hier thuisvoelde. Ja, zei ze. En tegelijk wist ze niet of ze hier mocht blijven. Hopen dat je mag blijven, maar elk moment kunnen worden geroepen lijkt mij reden genoeg om onder de dekens te kruipen. En toch helpt zij in deze wachtkamer van haar leven andere mensen hun plek in Nederland te vinden. In haar onzekere situatie kiest ze ervoor om anderen te omringen met wie ze is. Hoe lang of kort dat ook zal duren.

Samen met andere mensen lopen heeft wel iets, soms loop je net zo lang tot je elkaars slapen grijs ziet kleuren, soms duurt de wandeling een seizoen, soms een paar minuten. Soms ontmoet je iemand die je nog nooit eerder hebt gezien. Wandelen drukt de zorgen een beetje weg en maakt de hemel wat lichter,  want het zorgt er simpel gezegd ook gewoon voor dat je niet alleen bent.

Bijna op het eind zag ik een oude bekende. De zus van mijn klasgenootje van de basisschool stond met chipskettingen te zwaaien. Toen was ze misschien een jaar of twaalf, nu een jaar of 42. Ik kreeg de glimlach niet meer van mijn gezicht.

Is dit nu later?

regen

In periodes van langdurige stress, spanning en rouw lijkt degene die je was voor eeuwig verstopt. Is het mogelijk om jezelf weer terug te vinden? Therapeut Philip Troost neemt ons mee in deze zoektocht.

Op mijn laptop staat een filmpje van ons. Mijn man en ik waren samen met onze kinderen vlak bij het strand gaan wonen en gaven een housewarming. In het filmpje hoor je geroezemoes en dan zie je ons in beeld. Met een argeloze glimlach zing ik ‘Dream a little dream of me’. Er wordt gelachen en geklapt.

Ruim twee jaar later loop ik ’s avonds in mijn eentje op het strand. Ik heb het gevoel dat mijn keel dicht zit. “Sweet dreams that leave all worries behind you”, op dat feestje zong ik het nog zo makkelijk. Wat verlang ik naar dat zorgeloze tijdperk terug, want ik ben zo moe van de tegenslagen en de spanning. Ze zijn in ons huis gaan wonen, hebben plaatsgenomen op de stoel en op de bank. Ze houden mij ’s nachts uit mijn slaap en leven in ons hart. In de spiegel zie ik het bewijs: een tien jaar oudere versie van mezelf. Gaat dit voor altijd zo blijven?

In protest
Ik bel therapeut Philip Troost, werkzaam bij Spectrum in Hattem (spectrum13.nl) om hem mijn vragen voor te leggen. Dat verliezen van wie je bent, gaat sluipenderwijs. Hoe kan dat, en belangrijker, kun je jezelf nog terug krijgen? Philip denkt even na en steekt dan vriendelijk van wal. “Als er stress komt door een nare toestand, door crisis, door verlies en door hoge druk, dan kom je in een soort overleefstand, hè? En dat betekent misschien wel dat je gaat proberen grip te houden op iets waar je geen grip meer op hebt.”

Philip noemt de overleefstand een protest van ons controlesysteem. We raken in paniek als we die grip verliezen. Hij zegt dat we onze energie gaan richten op dat wat er om ons heen is, meer dan wat er in ons gebeurt. “We gaan focussen op de factoren die ons stress geven en die gaan we te lijf.” Ongemerkt gaan we ons identificeren met wat we aan het doen zijn. Hij geeft een voorbeeld: je raakt je baan kwijt en raakt in paniek; je kunt je hypotheek niet meer betalen, bent als een gek aan het solliciteren en je laat je omscholen. Philip: “Je beleeft jezelf alleen nog maar als een werkzoekende. Je wordt wat je doet. Je verhoudt je niet meer tot het gedoe in je leven, je wórdt het gedoe.”

Wie je bent
Hoe zou je ervoor kunnen zorgen dat je dat gedoe niet wordt? Ik vraag me af of dat eigenlijk wel mogelijk is: jezelf terugvinden in tijden van constante plensbuien en stormwinden. Philip vertelt dat je een plek terug moet vinden waar je niet meer vanuit het denken en het voelen naar je leven kijkt, maar waar je naar je denken en je voelen zelf kijkt. Dat je je kunt verhouden tot jezelf.

Philip zegt dat er verschillende delen in jezelf vallen te onderscheiden: “In mij zit een klein kind, met al mijn gevoelige snaren. Mijn gevoelige binnenkant noem ik even mijn innerlijke kind. Dat zit in mij, maar dat is niet mijn identiteit. Een ander deel in mij is streng en veroordelend: mijn innerlijke criticus. Ik heb me te verhouden tot mijn innerlijke kind en mijn innerlijke criticus en meer delen in mij. Degene die zich verhoudt tot al die delen, dat ben jij zelf. Dat is degene die kan kiezen. Ik vind dat heel mooi terug in Psalm 139. David kijkt bij zichzelf naar binnen. Hij heeft het over dat God zelfs in hem is en zegt: ‘Mijn ziel weet dit heel goed.’ Die ziel zegt mij dus iets anders dan al die gedachten en gevoelens.”

Als iemand bij hem in de spreekkamer komt, laat hij die persoon weleens een symbool zoeken voor het verdriet. Vaak is dat een kussen. Philip: “Daar laat ik hen eens naar kijken. Wat ik wil, is dat mensen weer verbinding gaan maken met de plek waar ze kunnen kiezen. Of ze kiezen ervoor om het verdriet alles te laten worden in hun leven; of het wordt een plek van beheer. Dat je gevoelens je niet gaan beheersen, maar dat jij beheer gaat nemen over je gevoelens.”

Flink blijven
Je kunt dit bijna niet vanuit jezelf, omdat die overlevingsstand vaak de overhand neemt, zegt Philip. Een vriendin van mij, Maria, leeft al jaren op haar reserves. Zij en haar man hebben veel te verstouwen gehad. “Als je jong zwanger bent, sta je er helemaal niet bij stil dat het uiteindelijk niet goed kan gaan. Het verlies van onze baby Jona was niet te bevatten en toch pakten we de draad weer op; ik wilde zo snel mogelijk normaal verder leven.” Vrij snel daarna raakte Maria opnieuw zwanger en ze kregen een zoon. “Dolgelukkig waren we. Tot mijn jongste zusje ernstig ziek werd. Ze bleek een heftige vorm van kanker te hebben.” Na jaren waarin ze op de automatische piloot leefde, namen ze afscheid van haar. “Toen we vier jaar na onze zoon, een dochter kregen, ben ik onderuitgegaan. Ik raakte in een depressie. En toch, zodra het weer kan, ga je toch weer door. Je bent moeder, je moet het gezin draaiende houden. Dat is ook mijn opvoeding geweest, we waren een vrij gedisciplineerd gezin dat overal de schouders onder zette.”

Juist in tijden waarin je energievoorraden worden aangeboord, is het belangrijk om op adem te kunnen komen. Philip: “Als je in diepe rouw zit, en je je groot moet houden, is het heel fijn als iemand anders jou op momenten even vasthoudt als een grote volwassene. Zodat jij ook even klein mag zijn met al je gedachten en gevoelens. Dit kun je niet zelf. Het moet iemand zijn die niet volkomen met jou meegaat in je verdriet, maar ook niet iemand die streng en hard zegt: ‘En nou moet het maar eens klaar zijn.’

Nee, je hebt dan iemand nodig die er gewoon vanuit die volwassen en rustige plek voor jou is. Dat je de overlevingsbeweging van ‘Ik moet sterk zijn, flink blijven en doorgaan’ kunt loslaten en je ziet dat er vervolgens niets gebeurt als je dat doet. Moeders gaan vaak zo in de overlevingsstand staan dat ze aan hun eigen rouwproces niet toekomen. Dan gaat het onverwerkte verlies je alsnog achtervolgen. Dit kan zich gaan vertalen in kribbigheid, innerlijke wrok en verharding.” Maria herkent dit. “Pieken en dalen ken ik niet, ik ben vrij vlak in mijn emoties. Nog steeds. Soms kribbig naar mijn gezinsleden, maar niet diep in de put. Heel langzaam merk ik dat ik nu de ruimte neem voor mezelf en voor mijn man. Ruimte om het verdriet echt toe te laten.”

Ideaalbeeld
Mijn vriendin Maria 
heeft veel gehad aan het liedje van Stef Bos “Is dit nu later?”. Betekent dit dat ze voorgoed afscheid heeft genomen van het beeld dat ze vroeger over later had? “Dat weet ik niet. Ik was eigenlijk te jong om een ideaalbeeld over mijn leven te hebben. Ik leefde mijn leven gewoon en dacht er verder niet bij na. Dromen hebben we wel gehad en nog steeds. Ik heb de afgelopen jaren wel geleerd om los te laten als dingen niet lukken of als je plannen niet uitpakken zoals je gehoopt had. Er gaat altijd wel weer een ander deurtje open. Wat ik zeker wel geleerd heb, is dat – en de uitvoering is soms moeilijk – ondanks alles wat er in je leven gebeurt, je moet blijven leven en genieten.”

Therapeut Philip Troost vertelt dat hij nu pas aan lichtheid toekomt. Vroeger was hij een vrolijk jochie, zegt hij. Waar hij kwam, werd er gelachen. Maar er zijn in de tussentijd moeilijke dingen in zijn leven gekomen. Philip: “Dat jongetje heeft zich lang schuilgehouden. Het leven werd gewichtig en zwaar voor mij.” Nu hij 57 is, voelt hij dat er weer ruimte is voor die lichte en speelse kant van hem. Als hij dat vertelt, merk ik dat mijn keel dik wordt. Is dít dan het leven dat God met Zijn kinderen voorheeft? Zo’n lange tijd rondlopen met een steen in je maag?

Philip: “Wat ik heb geleerd, is om mezelf te accepteren met alles wat er is. Omdat God mij heeft geaccepteerd, is voor God mijn leven al geslaagd. Uiteindelijk zal Hij mij alles geven en vervullen wat ik heb gemist. En zelfs al zou ik niet geloven in een eeuwigheid, dan nóg kan ik met een gerust hart sterven, omdat ik vrede heb gevonden met mezelf.” Ik ben benieuwd hoe Philip omgaat met het plaatje dat hij misschien ooit voor ogen had; dat leven met die onbevangen lach. Soms kan ik zo terugverlangen naar mijn jeugd waarin alles nog open lag en je je nog niet druk hoefde te maken om grotemensenproblemen.

Philip antwoordt eerlijk dat hij ook om dat plaatje rouwt. “Je hoeft er niet stoer over te doen. Je beeld van jezelf is anders dan een paar jaar geleden. Ik mag zeggen: ‘Ach, wat heb ik zwaar strijdend in het leven gestaan. Dat was zoals het was en dat doet hartstikke zeer.’ Neem je verlies en durf die pijn te voelen. Je mag rouwen om je idealen, maar je hoeft ze niet weg te gooien. Je mag blijven dromen, anders zouden we maar saaie mensen worden. Laat je idealen zijn wat ze zijn. En meer ook niet. Jij beheert hen in plaats van dat ze jou beheersen. En ja, je mag over het verlies rouwen. Dat het leven niet geworden is zoals je in gedachten had. Die pijn, daar leef ik een tijdje mee en dan kan het rustig worden. Dat is ook verlies dat ik te nemen heb. Het leven is niet zo maakbaar, hè.” Het blijft een tijdje stil aan mijn kant van de lijn.

Dit artikel verscheen in 2016 in Jente Magazine