Veerkracht

leven

We hoorden een paar donderende klappen en hartverscheurend gehuil. Ergste nachtmerrie ever: dochter was door het zoldertrapgat heen van de steile trap gevallen, in het donker. Ze dacht dat het luik dicht zat en was in het gat gestapt. Ik dacht dat ik niet goed werd toen ze snikkend tegen me aan lag. Mijn primaire reactie was: zeggen dat ze de volgende keer – alsjeblieft – het licht aan moet doen voordat ze naar beneden loopt.  Maar terwijl ik dit zei, kreeg ik meteen spijt. De angst om iets kostbaars te verliezen vind ik het allerzwaarste sinds ik moeder ben. En tegelijkertijd heeft mijn dochter hier geen boodschap aan. Ze had niets aan mijn angst en mijn woorden. Ze was zich rot geschrokken en had iemand nodig die haar alleen maar vasthield. Dat deed ik dan ook. In mijn armen kwam haar bevende lijfje langzaam tot bedaren.

‘Mam, ik vind het zo erg. Ik moet er elke keer aan denken.’ Ze was nu tussen mij en de bank gekropen en we keken een filmpje. Ik vertelde haar dat dat heel normaal is dat je er veel aan denkt, dat je langzaam steeds weer meer plek in je hoofd krijgt om aan andere dingen te denken, en dat de schrik na een tijdje uit je lijf en hoofd is. Het werd die avond laat en eigenlijk nog best gezellig, zo met z’n drieeën op de bank.
De volgende dag strompelde ze de trap af. Blauw scheenbeen. Beurse oksel. Zou ze echt niks gekneusd hebben? dacht ik nog. Na een rustige ochtend wilde ze naar buiten.
‘Ga je doen, dan?’
‘Skeeleren’

De veerkracht van kinderen. Die willen zo snel mogelijk weer doen wat ze het liefste doen: spelen, leven. En als ze zijn gevallen, zorgen wij dat we er voor hen zijn.

 

Advertenties

Pracht-dingen

together-2408616_1920

In de aula van de middelbare school bungelden ze om me heen. In verhouding met mijn lijf leken ze zo lang. Zo ongemakkelijk ook. Wat moet je met je armen als iedereen naar je kijkt?

‘Je zusje heeft een knuffel nodig,’ zei iemand tegen me die haar verdriet zag. Ik had het ook gezien, maar daar nog geen omhelzing aan gekoppeld. Ik liep op haar af en drukte ze om haar heen, maar mijn armen snapten niet wat ze precies moesten doen. Beetje stram, beetje stijf. Onbehaaglijk voelden ook die knuffels die ik weleens kreeg. Toen die kennis van de kerk mij spontaan tegen haar lichaam aandrukte. Het was in de tijd dat we over alles praatten, behalve over de dingen waar we ons voor schaamden en we schaamden ons een hoop.
Pas geleden ontving ik ze weer. Ik blogde wekelijks over een tijd waarin ik het liefst mijn hoofd onder een kussen wilde steken. Tijdens het schrijven gooide ik de zware dekens van me af en vertelde ik wat er die schimmige tijd in mij had geleefd en hup, daar kwamen tientallen knuffels in liefdevolle emoji’s en in lijflijke omhelzingen op me af. Ik kreeg er een kleur van.

Een vriendin nam definitief afscheid van iemand die ze innig liefhad. En daar waren ze weer. Op facebook en in het echt. Warme, tanige, korte, lange, zachte of juist stevige armen. Zo om haar heen. Waterige ogen die elkaar begroetten. De warmte van een ander persoon tegen haar verdrietige lichaam. Een kus op haar natte wang.
Ik zag twee mensen. Ze liepen hand in hand, maar raakten elkaar niet aan. Allebei hadden ze een band om hun pols en daartussen zat een lijn. Toen ik beter keek, las ik op het t-shirt van de heren de woorden ‘Running Blind’. Blindelings volgde de ene man de ander die hem langs wegen leidde, langs slootjes liep, een drukke weg overstak. Zijn hand aan die van een ander. Het beeld ontroerde me.
Laatst waren ze om mij heen. Warme en oprechte armen van iemand die zei dat ze veel voor ons gezin bad. De tranen sprongen in mijn ogen.
Gisteren gebruikte ik die van mij voor een ander. Ging bijna vanzelf.

Die armen die aan ons lijf hangen. Ik moest er even aan wennen, maar wat een prachtdingen zijn dat toch.

Deze column verscheen in Jente.

Poedel-naakt op Stressed Out

naakt
Het begon allemaal met één blog waarbij ik mijn ‘stress-coming out’ had. Maandenlang had ik mezelf onzichtbaar gemaakt en liet ik me door berichten op social media lamleggen. Iedereen leek zo’n leuk en succesvol leven te hebben, terwijl wij thuis worstelden met de burn-out van mijn man en ons sociale leven zagen opdrogen. In september 2016 besloot ik mijn gedachten op te schrijven. Ik had een overwinning te melden: we waren sinds tijden weer als compleet gezin (dus inclusief man) weg geweest. Deze blog deelde ik op mijn Facebookpagina.

Meteen werd ik overladen door lieve reacties en de blog leidde tot een verzoek van mijn oud-collega Maaike Helmer, founder van STRESSED OUT. Of ik over deze rottijd wilde bloggen. Even twijfelde ik, want als mens en zeker ook als zzp’er wil je vooral overwinningen delen (zodat je aantrekkelijk bent en blijft voor opdrachtgevers) en door deze blogs zou ik poedelnaakt rondlopen. Omdat door het gebrek aan werk mijn creativiteit een dieptepunt had bereikt, zei ik toch ja. Ik móest weer schrijven van mezelf, schrijven doet schrijven en dus deed ik het. Doodeng. Het resulteerde in deze serie.

Wat me motiveerde waren de lieve reacties die ik van lezers kreeg en ik raakte met mensen in gesprek. Gewoon op straat of in de supermarkt. Sommige vertrouwden me bij school toe dat ze zelf ziek thuis zaten. Ook kreeg ik persoonlijke berichtjes van andere vrouwen van wie de man kampte met een burn-out. Soms al jarenlang. We herkenden elkaars worstelingen. Het gevoel dat je de enige bent, kan verstikkend werken; weet je dat meer mensen worstelen met dezelfde problemen, dan is dat troostend en uiteindelijk versterkend. Daarom ga ik nog een tijdje door met bloggen. Deze weken wordt de serie herhaald, vanaf september komen er nieuwe blogs. We krabbelen een beetje op, duikelen terug en beginnen dan vanaf nul – wat uiteindelijk erg goed blijkt.

PS: Ondertussen is er weer veel veranderd, we zijn anders gaan denken, werken en leven. Daarover later meer! Fijne vakantie alvast! Ik kan niet wachten 🙂

Kost niks

hummingbird-2139278_1920

Ik kon altijd vrij moeiteloos mijn werk doen. Me ertoe zetten om zoveel mogelijk deadlines te halen. ’s Avonds, soms ’s nachts. Facturen schrijven en innen maar, die handel. Heerlijk. Nu is alles anders. De helft van de tijd ben ik bezig te bedenken wat ik nou eigenlijk moet en wil. Het lijkt alsof de vaart uit mijn leven is getrokken. Alsof ik een ellenlange karavaan meezeul en niet vooruit lijk te komen. En ik laat me helaas nog al te vaak beheersen door gedachten over toekomstige rekeningen en geldzaken, een gewoonte waar ik vroeger altijd zo’n schurfthekel aan had.

Geld is heerlijk als je precies genoeg hebt, en je je geen zorgen hoeft te maken over later. Over morgen. Of vandaag, omdat je nog boodschappen moet doen. Geld wordt een vloek als het je gaat beheersen. Of je nu veel of weinig hebt. Je kunt geld hebben, maar mis je de rijkdom die verscholen zit in dingen die niks kosten, dan ben je alsnog heel arm. Kon ik het werk maar loslaten en mijn blik richten op de schoonheid die zich overal om mij heen openbaart. Schoonheid zo fragiel dat je haar beter niet kunt vastpakken. Een zon die schittert in de golven. Een mooi bos om in te verdwalen. Vogels die je wakker fluiten. Of een gezellig wijntje rondom een vuurkorf.

En juist nu al die dingen zich op een dag als vandaag gratis aanbieden, laat ik mijn blik vertroebelen door opeenpakkende zorgen. Voel ik dat ik wankel, terwijl dat waarschijnlijk precies de plek is waar ik Gods uitgestoken hand ontmoet. Het verleden bewijst dat juist die momenten voor mij meestal het prachtigst en het meest waardevol zijn geweest. ‘Je bent gemaakt om in relatie met God – en met anderen – te staan. Met je Schepper. Degene die je nieuw leven inblaast.’ Ik heb dat honderd jaar terug ofzo vaak tegen jongeren gezegd.
Als ik me ergens door wil laten leiden, is het door die verrassing. Die ontmoeting. Dat gesprek bijvoorbeeld dat ik net had met een vrouw die me kon vertellen over de rijkdom die zij in haar leven ervaart als ze met andere mensen is. Een vrouw die haar huis en hart openstelt voor jongeren die geen andere kant op kunnen. Mensen die ze onderweg ontmoet. Ze zitten rond een kampvuur en trekken even met elkaar op. Dit is hoe rijk het leven voor haar is. “Maar”, zei ze in het gesprek, “Waar ik niet zonder kan, is dat ik de dag begin met God. Even lezen, een lied, een gebed. Zonder dat zouden mijn dagen er heel anders uitzien.”

Ik las vanmorgen in de bijbel over Abram en Lot. Nadat hun herders met elkaar in conflict raken, moeten ze uit elkaar. Abram laat Lot het stuk land kiezen waar hij wil wonen. En zoals voor velen bekend pikt Lot het mooiste land in. Best lullig vond ik dat altijd voor Abram die het met minder moest doen. En toen viel me het volgende stukje op. Na het afscheid van Lot zegt God tegen Abram: “Sla toch je ogen op en kijk vanaf de plaats waar je bent naar het noorden, zuiden, oosten en westen. Het hele land dat je ziet zal ik jou en je nageslacht voor altijd geven.” Misschien heb ik niet wat ik zou willen hebben, of wat ik vroeger had, maar er ligt nog een hele aarde om te beploegen, te belopen en te bewonen. Meer dan je je kunt voorstellen. En dat is niet altijd uit te drukken in geld.

Het voordeel van minder werk (dan ik wellicht zou willen hebben, ik begin daar nu ineens aan te twijfelen) is de tijd die je overhoudt. Tijd om de kinderen van school te halen. Tijd om de bijbel te lezen, te overdenken, de gitaar te pakken. Tijd om een gesprek met iemand te hebben. Waar ik vroeger als een kip zonder kop deadlines haalde, heb ik nu tijd om artikelen te schrijven waar ik goed en veelvuldig over heb nagedacht. Tijd is het nieuwe goud, zei Jan Wolsheimer eens in een interview.

Mijn man heeft nu ook iets meer tijd. Meubels waar wij geen geld aan willen uitgeven, blijkt hij zelf te kunnen maken. De blik die hij in z’n ogen heeft zodra het af is en geschuurd, is schitterend en onbetaalbaar.

De avondvierdaagse

dirty-932859_1280

Vier avonden lopen in een mensenmassa bestaande uit veel wezentjes met rugtassen om en een snoepje in de hand. Als kind leefde ik compleet op bij de Avondvierdaagse. Mijn klas en ik woonden vlakbij de start; we liepen er zelf naartoe en ook weer naar huis. Op de laatste avond stonden er aan weerskanten van de weg bekenden met snoepzakken, rozen en chipskettingen. Zussen van vriendinnen, moeders, vaders, broers, zussen, tantes, ooms. Die glimlach was niet van mijn gezicht weg te poetsen. Vorig jaar liep ik ‘m weer. Voor het eerst na jaren. Ik moest mezelf er een beetje naartoe slepen. Beetje een shitjaar was het.

Voor één ding was ik doodsbang: dat mijn geest uit de fles kwam. Dat dit zich zou uiten in unstoppable geklets. Dat gebeurde helaas precies zo. Ik klampte me vast aan iedereen die ik tegenkwam. Ratelde zo veel en zo openhartig dat ik eenmaal weer thuis een halve paniekaanval moest onderdrukken: wat had ik allemaal tegen wie gezegd? Wat zouden ze denken? De tweede avond liep mijn man. Als een zombie zei hij naderhand. De derde avond liep ik weer. Van tevoren bedacht ik dat ik het alleen maar over hypotheken en huizen ging hebben. Dat lukte. De vierde avond was de finale. Mijn dochter hartstikke trots en ik ook. Op haar. En op mijn man die samen met onze zoon op het plein kwam om ons te feliciteren. 

Vorige week liep ik de Avondvierdaagse weer. Deze leverde mooie gesprekken op – onderbroken door gelach en gegil -en dat gaf weer heerlijk wat lucht. Ik sprak oude bekenden en mensen die ik nog helemaal niet kende. Een vrouw die op al meer had meegemaakt dan ik in mijn hele leven zal doen. Of ze zich hier thuisvoelde. Ja, zei ze. En tegelijk wist ze niet of ze hier mocht blijven. Hopen dat je mag blijven, maar elk moment kunnen worden geroepen lijkt mij reden genoeg om onder de dekens te kruipen. En toch helpt zij in deze wachtkamer van haar leven andere mensen hun plek in Nederland te vinden. In haar onzekere situatie kiest ze ervoor om anderen te omringen met wie ze is. Hoe lang of kort dat ook zal duren.

Samen met andere mensen lopen heeft wel iets, soms loop je net zo lang tot je elkaars slapen grijs ziet kleuren, soms duurt de wandeling een seizoen, soms een paar minuten. Soms ontmoet je iemand die je nog nooit eerder hebt gezien. Wandelen drukt de zorgen een beetje weg en maakt de hemel wat lichter,  want het zorgt er simpel gezegd ook gewoon voor dat je niet alleen bent.

Bijna op het eind zag ik een oude bekende. De zus van mijn klasgenootje van de basisschool stond met chipskettingen te zwaaien. Toen was ze misschien een jaar of twaalf, nu een jaar of 42. Ik kreeg de glimlach niet meer van mijn gezicht.

Is dit nu later?

regen

In periodes van langdurige stress, spanning en rouw lijkt degene die je was voor eeuwig verstopt. Is het mogelijk om jezelf weer terug te vinden? Therapeut Philip Troost neemt ons mee in deze zoektocht.

Op mijn laptop staat een filmpje van ons. Mijn man en ik waren samen met onze kinderen vlak bij het strand gaan wonen en gaven een housewarming. In het filmpje hoor je geroezemoes en dan zie je ons in beeld. Met een argeloze glimlach zing ik ‘Dream a little dream of me’. Er wordt gelachen en geklapt.

Ruim twee jaar later loop ik ’s avonds in mijn eentje op het strand. Ik heb het gevoel dat mijn keel dicht zit. “Sweet dreams that leave all worries behind you”, op dat feestje zong ik het nog zo makkelijk. Wat verlang ik naar dat zorgeloze tijdperk terug, want ik ben zo moe van de tegenslagen en de spanning. Ze zijn in ons huis gaan wonen, hebben plaatsgenomen op de stoel en op de bank. Ze houden mij ’s nachts uit mijn slaap en leven in ons hart. In de spiegel zie ik het bewijs: een tien jaar oudere versie van mezelf. Gaat dit voor altijd zo blijven?

In protest
Ik bel therapeut Philip Troost, werkzaam bij Spectrum in Hattem (spectrum13.nl) om hem mijn vragen voor te leggen. Dat verliezen van wie je bent, gaat sluipenderwijs. Hoe kan dat, en belangrijker, kun je jezelf nog terug krijgen? Philip denkt even na en steekt dan vriendelijk van wal. “Als er stress komt door een nare toestand, door crisis, door verlies en door hoge druk, dan kom je in een soort overleefstand, hè? En dat betekent misschien wel dat je gaat proberen grip te houden op iets waar je geen grip meer op hebt.”

Philip noemt de overleefstand een protest van ons controlesysteem. We raken in paniek als we die grip verliezen. Hij zegt dat we onze energie gaan richten op dat wat er om ons heen is, meer dan wat er in ons gebeurt. “We gaan focussen op de factoren die ons stress geven en die gaan we te lijf.” Ongemerkt gaan we ons identificeren met wat we aan het doen zijn. Hij geeft een voorbeeld: je raakt je baan kwijt en raakt in paniek; je kunt je hypotheek niet meer betalen, bent als een gek aan het solliciteren en je laat je omscholen. Philip: “Je beleeft jezelf alleen nog maar als een werkzoekende. Je wordt wat je doet. Je verhoudt je niet meer tot het gedoe in je leven, je wórdt het gedoe.”

Wie je bent
Hoe zou je ervoor kunnen zorgen dat je dat gedoe niet wordt? Ik vraag me af of dat eigenlijk wel mogelijk is: jezelf terugvinden in tijden van constante plensbuien en stormwinden. Philip vertelt dat je een plek terug moet vinden waar je niet meer vanuit het denken en het voelen naar je leven kijkt, maar waar je naar je denken en je voelen zelf kijkt. Dat je je kunt verhouden tot jezelf.

Philip zegt dat er verschillende delen in jezelf vallen te onderscheiden: “In mij zit een klein kind, met al mijn gevoelige snaren. Mijn gevoelige binnenkant noem ik even mijn innerlijke kind. Dat zit in mij, maar dat is niet mijn identiteit. Een ander deel in mij is streng en veroordelend: mijn innerlijke criticus. Ik heb me te verhouden tot mijn innerlijke kind en mijn innerlijke criticus en meer delen in mij. Degene die zich verhoudt tot al die delen, dat ben jij zelf. Dat is degene die kan kiezen. Ik vind dat heel mooi terug in Psalm 139. David kijkt bij zichzelf naar binnen. Hij heeft het over dat God zelfs in hem is en zegt: ‘Mijn ziel weet dit heel goed.’ Die ziel zegt mij dus iets anders dan al die gedachten en gevoelens.”

Als iemand bij hem in de spreekkamer komt, laat hij die persoon weleens een symbool zoeken voor het verdriet. Vaak is dat een kussen. Philip: “Daar laat ik hen eens naar kijken. Wat ik wil, is dat mensen weer verbinding gaan maken met de plek waar ze kunnen kiezen. Of ze kiezen ervoor om het verdriet alles te laten worden in hun leven; of het wordt een plek van beheer. Dat je gevoelens je niet gaan beheersen, maar dat jij beheer gaat nemen over je gevoelens.”

Flink blijven
Je kunt dit bijna niet vanuit jezelf, omdat die overlevingsstand vaak de overhand neemt, zegt Philip. Een vriendin van mij, Maria, leeft al jaren op haar reserves. Zij en haar man hebben veel te verstouwen gehad. “Als je jong zwanger bent, sta je er helemaal niet bij stil dat het uiteindelijk niet goed kan gaan. Het verlies van onze baby Jona was niet te bevatten en toch pakten we de draad weer op; ik wilde zo snel mogelijk normaal verder leven.” Vrij snel daarna raakte Maria opnieuw zwanger en ze kregen een zoon. “Dolgelukkig waren we. Tot mijn jongste zusje ernstig ziek werd. Ze bleek een heftige vorm van kanker te hebben.” Na jaren waarin ze op de automatische piloot leefde, namen ze afscheid van haar. “Toen we vier jaar na onze zoon, een dochter kregen, ben ik onderuitgegaan. Ik raakte in een depressie. En toch, zodra het weer kan, ga je toch weer door. Je bent moeder, je moet het gezin draaiende houden. Dat is ook mijn opvoeding geweest, we waren een vrij gedisciplineerd gezin dat overal de schouders onder zette.”

Juist in tijden waarin je energievoorraden worden aangeboord, is het belangrijk om op adem te kunnen komen. Philip: “Als je in diepe rouw zit, en je je groot moet houden, is het heel fijn als iemand anders jou op momenten even vasthoudt als een grote volwassene. Zodat jij ook even klein mag zijn met al je gedachten en gevoelens. Dit kun je niet zelf. Het moet iemand zijn die niet volkomen met jou meegaat in je verdriet, maar ook niet iemand die streng en hard zegt: ‘En nou moet het maar eens klaar zijn.’

Nee, je hebt dan iemand nodig die er gewoon vanuit die volwassen en rustige plek voor jou is. Dat je de overlevingsbeweging van ‘Ik moet sterk zijn, flink blijven en doorgaan’ kunt loslaten en je ziet dat er vervolgens niets gebeurt als je dat doet. Moeders gaan vaak zo in de overlevingsstand staan dat ze aan hun eigen rouwproces niet toekomen. Dan gaat het onverwerkte verlies je alsnog achtervolgen. Dit kan zich gaan vertalen in kribbigheid, innerlijke wrok en verharding.” Maria herkent dit. “Pieken en dalen ken ik niet, ik ben vrij vlak in mijn emoties. Nog steeds. Soms kribbig naar mijn gezinsleden, maar niet diep in de put. Heel langzaam merk ik dat ik nu de ruimte neem voor mezelf en voor mijn man. Ruimte om het verdriet echt toe te laten.”

Ideaalbeeld
Mijn vriendin Maria 
heeft veel gehad aan het liedje van Stef Bos “Is dit nu later?”. Betekent dit dat ze voorgoed afscheid heeft genomen van het beeld dat ze vroeger over later had? “Dat weet ik niet. Ik was eigenlijk te jong om een ideaalbeeld over mijn leven te hebben. Ik leefde mijn leven gewoon en dacht er verder niet bij na. Dromen hebben we wel gehad en nog steeds. Ik heb de afgelopen jaren wel geleerd om los te laten als dingen niet lukken of als je plannen niet uitpakken zoals je gehoopt had. Er gaat altijd wel weer een ander deurtje open. Wat ik zeker wel geleerd heb, is dat – en de uitvoering is soms moeilijk – ondanks alles wat er in je leven gebeurt, je moet blijven leven en genieten.”

Therapeut Philip Troost vertelt dat hij nu pas aan lichtheid toekomt. Vroeger was hij een vrolijk jochie, zegt hij. Waar hij kwam, werd er gelachen. Maar er zijn in de tussentijd moeilijke dingen in zijn leven gekomen. Philip: “Dat jongetje heeft zich lang schuilgehouden. Het leven werd gewichtig en zwaar voor mij.” Nu hij 57 is, voelt hij dat er weer ruimte is voor die lichte en speelse kant van hem. Als hij dat vertelt, merk ik dat mijn keel dik wordt. Is dít dan het leven dat God met Zijn kinderen voorheeft? Zo’n lange tijd rondlopen met een steen in je maag?

Philip: “Wat ik heb geleerd, is om mezelf te accepteren met alles wat er is. Omdat God mij heeft geaccepteerd, is voor God mijn leven al geslaagd. Uiteindelijk zal Hij mij alles geven en vervullen wat ik heb gemist. En zelfs al zou ik niet geloven in een eeuwigheid, dan nóg kan ik met een gerust hart sterven, omdat ik vrede heb gevonden met mezelf.” Ik ben benieuwd hoe Philip omgaat met het plaatje dat hij misschien ooit voor ogen had; dat leven met die onbevangen lach. Soms kan ik zo terugverlangen naar mijn jeugd waarin alles nog open lag en je je nog niet druk hoefde te maken om grotemensenproblemen.

Philip antwoordt eerlijk dat hij ook om dat plaatje rouwt. “Je hoeft er niet stoer over te doen. Je beeld van jezelf is anders dan een paar jaar geleden. Ik mag zeggen: ‘Ach, wat heb ik zwaar strijdend in het leven gestaan. Dat was zoals het was en dat doet hartstikke zeer.’ Neem je verlies en durf die pijn te voelen. Je mag rouwen om je idealen, maar je hoeft ze niet weg te gooien. Je mag blijven dromen, anders zouden we maar saaie mensen worden. Laat je idealen zijn wat ze zijn. En meer ook niet. Jij beheert hen in plaats van dat ze jou beheersen. En ja, je mag over het verlies rouwen. Dat het leven niet geworden is zoals je in gedachten had. Die pijn, daar leef ik een tijdje mee en dan kan het rustig worden. Dat is ook verlies dat ik te nemen heb. Het leven is niet zo maakbaar, hè.” Het blijft een tijdje stil aan mijn kant van de lijn.

Dit artikel verscheen in 2016 in Jente Magazine

 

Loungestoel of luiertas: waar hoor je als moeder bij? (Long read)

cocktail liggend

Ik zou mijn kinderen voor geen goud willen missen, maar soms voel ik me als moedervrouw nog steeds ontheemd. Vooral als ik tussen andere ouders zit. Alsof volwassen worden me nooit helemaal zal lukken. Tussen kinderlozen voel ik me weer belegen. Na acht jaar van kinderen dragen, baren en opvoeden, herken ik me nog steeds in het verhaal dat ik voor Ouders van Nu schreef: waar hoor je als (beginnende) moeder nou bij? Dit is een long read voor alle vrouwen die ook hun plek zoeken tussen de snoetenpoetsers en de luiertassen.

‘Tuurlijk mogen jullie mee, maar we gaan wel de hele dag op het terras zitten.’ Dit zeg ik egoïstisch tegen vrienden met een tweejarige peuter. Ik heb nog geen baby. Wij en onze andere kinderloze vrienden kunnen het ons dus permitteren om nog oneindige middagen loom op een terras te hangen. Dat houden we graag nog een tijdje zo. Hoewel, de laatste tijd zie ik verdacht veel stellen om me heen die besmet zijn geraakt met het babyvirus. Zodra ze die bepaalde blik in hun ogen krijgen en het goede nieuws brengen, weet ik dat het bij hen ook zover is. Ik voel me dan altijd – tja, hoe zal ik het zeggen – een beetje verraden. Want ze verlaten ons vak. Van het vak ‘Lang leve de lol’ belanden ze in  dat van de poepluiers, rumoerige pannenkoekhuizen en witte rompers met ‘I love mama’ erop.

Afspraken met hen verschuiven na de geboorte van het kind  van de late uurtjes naar de late middag. In de praktijk betekent dit dat je met hen (plus kinderwagen plus blèrende baby) in een lunchtentje zit. Niet bepaald relaxed na een drukke werkweek. Ook tussen collega’s met kinderen verslapt mijn aandacht vaak. Als ze  het uitgebreid hebben over de stijgende kosten in de kinderopvang, bijvoorbeeld. Ik merk dat ik automatisch trek naar mensen zonder storende factoren. Met een beetje geluk zijn die ook nog single, dus de kans dat  zij binnenkort een kind krijgen is nihil. Maar dan komt er een kink in de kabel. Ik begin te dromen over verschrompelde eierstokken en over vervroegde overgangen. Lichamelijk gezien zal ik er toch een keer aan moeten geloven. Dus draag ik een tijdje later, tijdens een weekend weg met een groep vrienden, het babyvirus met me mee.

Geruisloos en zonder dat iemand het weet ben ik van het ene  vak naar het andere vak geslopen. Een baby lijkt me heerlijk, alleen die groep ouders, daar kan ik nog niet zo veel mee. Bij de meeste  ouders die ik tegenkom voel ik me wat onvolwassen, onverantwoordelijk ook misschien. Mijn kinderloze vrienden zijn het eerst op de hoogte van ons Blijde Nieuws. Vriendin J. vraagt naar de uitgerekende datum en baalt meteen dat ze de laatste maanden van mijn zwangerschap niet zal meemaken. Ze zit dan voor een jaar aan het andere eind van de wereld. Hè, daar gáán onze avondjes uit. Vriendin E. is ook erg blij voor me, maar zegt aan het eind van het telefoongesprek dat ze niet goed weet of ze zelf kinderen wil. Jammer, ik hoopte dat zij binnenkort ook in hetzelfde schuitje zou raken… Ten slotte vertel ik het voorzichtig aan een vergeten groep mensen  in ons leven: de mensen mét kinderen. Die reageren meteen enthousiast. ‘Welkom in onze wereld’, lijken  ze te zeggen.

Bevallingsavontuur
Onze lieve, roze baby ligt op mijn buik. Vriendin J. feliciteert me vanuit een bar in Australië met een lieve sms. Zusje E. komt op kraambezoek. Zodra ik mijn bevallingsverhaal uit de doeken doe en over  de knip begin, doet ze haar handen over haar oren. ‘Nee, ik moet nog!’ roept ze erbij. Logisch, maar ik moet mijn laatste avontuur toch echt aan iemand kwijt. Met zussen en vriendinnen die al een keer bevallen zijn verloopt het gesprek een heel stuk makkelijker. We grinniken om mijn borstvoedingspogingen (‘ze lijkt wel een piranha’) en ze kunnen zich alles voorstellen bij mijn wat beurse gevoel  ergens down under. De gesprekken met mensen zonder kinderen verlopen bijna altijd anders, merk ik. De woorden ‘aanleggen’ en ‘tepel-speenverwarring’ komen gewoonweg niet door. Maar ja, als ik me even inleef in de kinderlozen moet het voor hen voelen alsof iemand tegen je aan kletst over een lineaire hypotheek, terwijl je zelf nog een huurappartement hebt.

Lachende baby
Als we op een dag met vrienden zonder kinderen in een strandtent zitten, laat ook ons non-verbale gedrag de tien grote verschillen zien. Het tafereel: zij hangen lekker achterover in de luxe loungebanken. Wij zitten voorovergebogen: zoekend naar een spuugdoekje,  een speen en een fles die ergens over de grond gerold is en dient te worden afgespoeld. Met mijn dochter in mijn armen luister ik maar half naar de Australiëverhalen van vriendin J. Afspreken doen we meestal ’s avonds. Veel handiger dan overdag, want ja, zij werken dan. Alleen weet ik soms niet waar ik de puf vandaan moet halen om het laat te maken. De tijd van onverantwoord door het leven gaan en nachten doorhalen (en lekker kunnen uitslapen) ligt mijlenver achter me. Maar hoor ik dan wél bij de groep ouders die elke doorkomende tand van hun kind op social media zetten? (Hoewel ik laatst wel leuke reacties kreeg op die ene foto van mijn slapende babydochter…)

Ook babyzwemmen is een activiteit waar ik me nog enigszins ontheemd voel. Enthousiast zingen de ouders in badpak en een enkele zwembroek mee met voor mij volslagen onbekende kinderliedjes. Ze lijken de tekst (iets met een wangetje en een kin) feilloos uit hun hoofd te kennen. Heb ik ergens wat gemist? Terwijl ik ongemakkelijk meeneurie bedenk ik dat dit dus iets is wat ouders op een doordeweekse ochtend doen. Maar het feit dat mijn lieve dochter in haar rood-wit-blauwe zwembroek zo moet lachen als ik haar optil, maakt dat ik mezelf drie maanden later tegen een zwangere (van haar eerste kind) hoor zeggen dat babyzwemmen ‘echt heel leuk is’.

Wie ben ik als moeder?
Nu we inmiddels twee kinderen hebben, is het oudervak onvermijdelijk onze hangplek geworden. Wij horen bij die mensen die snappen dat dineren met een dreumes en een peuter na achten in een hippe tent geen pretje is, tenzij er kinderijsjes en kleurplaten worden geserveerd.  Waar ik me jarenlang tegen heb verzet, daar ben ik nu middenin beland en dat begin ik tot mijn grote verbazing nog leuk te vinden ook (al kan ik de drukte in pannenkoekhuizen maar niet verdragen).  De vriendschappen met mijn beste vriendinnen met kinderen worden nog hechter, omdat we elkaar vaker zien en gewoon nog steeds om dezelfde dingen, en natuurlijk om onze peuteranekdotes, kunnen lachen. Soms leveren kinderen zelfs leuke, nieuwe contacten op. Andere keren voel ik me bij sommige ouders nog steeds totaal vervreemd en raak ik opnieuw verveeld  als ze vertellen dat hun dreumes al drie blokjes kan opstapelen terwijl hij er van het consultatiebureau nog maar twee hoeft te kunnen. Of gedraag ik me bij hen nog steeds als een onhandige puber, net als voordat ik kinderen kreeg. Kind of geen kind, er ontbreekt dan duidelijk een klik.

Best of both worlds
De laatste tijd mis ik ook wat anders: mijn kinderloze vriendinnen. Zusje E. zie ik veel minder dan vroeger. Ik heb heimwee naar vriendin E., die nog steeds niet weet of ze kinderen wil, veel te lang heb ik haar lieve stem niet gehoord. En ik verlang ernaar om weer als vanouds drie uur lang in een kroegje met kinderloze, single vriendin J. in het luchtledige te ratelen. Ver weg van de spuugdoekjes, verloren spenen en op de grond gegooid brood. Het blijven vriendinnen met wie ik na maanden toch weer kan kletsen alsof ik ze vorige week nog heb gezien. Conclusie: ik wil gewoon the best of both worlds. Snel bellen, dan kunnen we nog even afspreken voordat ze weer op wereldreis gaat. •

P.S. Mijn zusje E. belt me een paar weken later op  met een verbaasde, blije stem. Ze kan het zelf haast nauwelijks geloven dat ze een baby krijgt. De komende maanden kan ik me ongegeneerd op haar storten, en eindelijk mijn bevallingsverhaal afmaken.

Dit artikel verscheen in Ouders van Nu.